Voorrang is het meest getoetste onderwerp bij het rijexamen. En tegelijk het onderwerp waar de meeste leerlingen onzeker over zijn. Niet gek — want de regels zijn in theorie helder, maar in de praktijk moet je ze in een split second toepassen. Dit zijn de 5 situaties waar het het vaakst misgaat.
1. De rotonde — wie gaat er voor?
Op de meeste rotondes in Nederland geldt: voertuigen op de rotonde hebben voorrang. Jij als inrijdende bestuurder wacht. Uitzondering: als er een bord staat met ‘Voorrang verlenen’ of een haai-tantenbord op de rotonde zelf — dan gelden andere regels. Check het altijd.
2. Rechts gaat voor — maar niet altijd
De basisregel: van rechts komend verkeer heeft voorrang. Maar deze regel geldt alleen als er geen andere verkeerstekens zijn. Een voorrangsweg (gele ruit-bord), een haaiengebit of een stopbord overrulet de rechts-voor-rechts regel volledig.
3. Uitritten en inritten
Rijd je een parkeergarage, benzinestation of oprit af? Dan heb je geen voorrang — op niemand. Voetgangers, fietsers, auto’s — iedereen gaat voor. Dit vergeten mensen constant, ook ervaren rijders.
4. Tram gaat altijd voor
Een tram heeft bijna altijd voorrang — ook als jij op een voorrangsweg rijdt. De enige uitzondering is als de tram van rechts of links een zijstraat inrijdt en jij op de hoofdweg rijdt. Bij twijfel: tram gaat voor.
5. Smallere wegen — wie kan het makkelijkst uitwijken?
Op smalle wegen waar twee auto’s niet tegelijk kunnen rijden, geldt: degene die het makkelijkst kan wachten of uitwijken, doet dat. Er is geen vaste regel wie voorrang heeft — het is een kwestie van inschatten en communiceren. Dat oogcontact met de andere bestuurder is hier key.
Geheugensteuntje: zie je een geel ruit-bord? Dan rijd je op een voorrangsweg en heb jij voorrang. Zie je een omgekeerde driehoek (haaiengebit)? Dan verlén jij voorrang.